Kat in nood (2)

De winter van 2009-2010 was koud en wit, heel erg koud en heel erg wit. Het was begin januari 2010 dat de straten hier als een ijsbaan waren, de gemeente geen zout kon vinden om te strooien en dat het ’s nachts -8°C was. Ik let niet vaak op Kees als hij ’s nachts niet thuis was, maar met deze temperaturen wilde ik hem toch binnen hebben. Zijn gebruikelijke plaatsen opgezocht, maar geen Kees. Rammelen met de sleutels, het lokroepje, maar geen Kees te bekennen. Deel 2 van een drieluik.

Ik ken de gebruikelijke tips wel om een kat te vinden, ik kan mijn katten ook meestal wel terugvinden, maar deze keer wilde dat met Keen niet. Ik begon me zorgen te maken, want het was koud en er was weinig drinkbaar vocht voor Kees buiten te vinden. Katten kunnen soms wel een week met heel weinig voedsel, maar vocht is altijd het grootste probleem met katten. Alles wat vocht was, was vastgevroren en het zou die nacht -10°C kunnen gaan worden. Niet echt de ideale temperatuur voor een kat.

Katten kan je het beste zoeken als het doodstil is op straat, als geluiden ver dragen, als er niets is om van te schrikken en ’s nachts zijn katten het alertst. Dus ik in de vrieskou (door de wind voelde het aan als -20°C zei men op het nieuws) om twee uur ’s nachts de straat op om Kees te gaan zoeken. De hele wijk afgezocht, zo groot kan de actieradius van een kat niet zijn, maar geen Kees.

Ik heb het om zes uur ’s ochtends nog een keer geprobeerd en uiteraard de avond daarna, maar zonder resultaat. De overlevingskansen van Kees waren aan het slinken. Wie weet wat er allemaal kan gebeuren? Aangereden, verzwakt op zoek naar vocht en verzopen, doodgevroren, het kon van alles zijn en de omstandigheden waren niet goed voor een katertje. Geen drinken, geen vogels of muizen of ander voer. Hoopvol zette ik een bakje brokken voor de deur in de hoop dat Kees het zou vinden. Na drie avonden gaf ik het op. het klinkt hard, maar ik achtte de kans dat ik hem zou vinden klein. Zeker met die kou en wie weet had Kees gewoon de kuierlatten genomen en was gewoon weggelopen. Dat doen katten ook weleens.

In mijn jeugd heb ik het vaak genoeg meegemaakt dat een kat stierf, wij hadden er vroeger thuis doorgaans een stuk of 25, dat kon met een groot huis en een groot erf en gemiddeld twee keer per jaar ging er een kat dood. Dat had eigenlijk twee oorzaken. Wij gaven elke lente kittens weg, we hadden er gewoon veel en wij gaven ook altijd garantie. Bevalt de kat niet, past die niet bij het interieur, is het kind allergisch, is de kat ziek? Breng maar terug! Dat gebeurde nog wel eens en dus hielden we eigenlijk alleen de zwakkere katten over.

Die gingen natuurlijk eerder dood, de gemiddelde leeftijd van onze katten was een jaar of tien als ze aan een natuurlijke dood stierven. De andere reden waaraan wij nog wel eens een kat verloren was aan onnatuurlijke oorzaken, zoals aanrijdingen, honden die een kat doodbeten, vergiftiging door mensen die minder van katten hielden, je kan het zo gek niet bedenken of ik heb het meegemaakt.

Ik was denk ik een jaar of tien toen mijn vader opmerkte dat een van de katten miste bij het eten. Al onze katten kwamen zo rond negen uur thuis voor het eten en er ontbrak een. Ik vertelde dat ik die ’s middags toen ik uit school kwam dood in de tuin had zien liggen en die daar-en-daar had begraven in de tuin. Niet dat wij niet om onze katten gaven, maar we waren er van jongs af aan gewend dat die beesten niet het eeuwige leven hadden.

Die manier van denken sloeg ook toe op Kees. Zijn overlevingskansen waren klein geworden en ja, dood is dood. Ik voelde wel een brok in mijn keel, want Kees was toch iets meer dan die katten uit mijn jeugd. Om toch te weten wat er met hem was gebeurd, plaatste ik een advertentie op een lokale site voor vermiste katten. Reacties bleven uit, maar misschien dat iemand na de vorst een dooie kat in zijn tuin aantrof en dat ik in ieder geval Kees in mijn eigen tuin zou kunnen begraven.

Bijna twee weken later kwam er ineens een telefoontje vanuit het asiel aan de andere kant van Den Haag. Ze hadden al tien dagen een kater in huis, die misschien aan de omschrijving voldeed. Eigenlijk had ik de hoop al opgegeven, maar toch maar kijken. Vol goede moed met een reismand naar De Uithof met de tram en mijn telefoon volgeladen met foto’s van Kees.

Jawel hoor, daar zat meneer, een beetje tam en versuft in een hokje. De vrouw van het asiel wilde eerst dat ik foto’s liet zien om te bewijzen dat het inderdaad mijn kat was en was verbaasd over het feit dat ik twee weken niets van me had laten horen. Ik vertelde hoe ik over katten dacht, maar ze kon er weinig begrip voor opbrengen. Ze was blijkbaar van het soort dat vond dat je in paniek moest raken als je kat een uur niet thuis is. Sorry, dat ben ik niet.

Er waren nog wel meer discrepanties tussen het verhaal dat ik vertelde en het verhaal dat zij hadden. Zo had ik het over een kater van acht jaar oud en had zij het over een kater van vier jaar oud. Ik had het over een ‘oorlogswond’ onder zijn rechteroksel en dat had de dierenarts niet kunnen ontdekken en die zou dat toch zeker gezien moeten hebben. Verder kwam de buurt waar hij gevonden was niet overeen met de buurt waar ik hem als vermist had opgegeven.

Afijn, ik mocht toch kijken en daar lag Kees. Ik stak mijn hand in het kooitje en deed het lokroepje dat ik voor hem gebruikte. Kees veerde op en begon kopjes te geven. Gelukkig had dit mens wel door dat dat toch het ultieme bewijs van herkenning was en dat Kees inderdaad bij mij hoorde. Ik kreeg dan ook het hele verhaal te horen.

Kees was gevonden aan de andere kant van de wijk, zo’n twee kilometer van mijn huis, aan de andere kant van een drukke weg. Hij had de tekenen van een gevecht en was door mensen daar opgenomen in huis toen ze hem zagen dralen over straat. Die hadden zelf ook een kat en dat ging niet samen, dus hadden ze de dierenambulance maar gebeld. Die had Kees naar het asiel gebracht. Ze hadden de advertentie wel voorbij zien komen, maar vanwege de leeftijd en vanwege de vindplaats hadden ze geen match gevonden, ik had er ook geen foto bij geplaatst.

Kees had een onderzoek door de dierenarts gehad en die had de leeftijd vastgesteld en vastgesteld dat Kees nogal veel dronk voor zo’n jonge kater. Het mens van het asiel luisterde niet naar wat ik zei over zijn leeftijd en stond er op dat ik naar een dierenarts zou gaan om de nieren na te laten kijken. Yeah, right, as if… Als een dierenarts een kat de helft van zijn echte leeftijd geeft, dan is er dus helemaal niks aan de hand met die kat. In tegendeel. Maar, de kosten waren wel voor mij: €50.

Ook hadden ze Kees een chip gegeven (€25) en natuurlijk had Kees tien nachten geleden ingecheckt in wat zij ‘het hotel’ noemde, dus moest de hotelrekening van €100 ook betaald worden. All-inclusive, dat dan weer wel, ik miste het polsbandje om zijn pootje. Ik moest dus €175 aftikken om Kees weer mee naar huis te krijgen, maar ik was allang blij dat het zo gelopen was en rekende lachend van geluk af.

“Owja, daar zit de dierenambulance niet bij inbegrepen trouwens”; zei het enge mens van het asiel. Dierenambulance? Ik dacht dat die bende gefinancierd werd door de gemeente, maar nee, daar zit ook een eigen bijdrage in. Twee weken later werd ik gebeld door de Dierenambulance; “Wij willen u een rekening sturen voor het thuisbrengen van uw kat…”; ik antwoordde dat ik ‘thuisbrengen toch een rare woordkeuze vond, hadden ze dat maar gedaan! Maar ik gaf keurig mijn gegevens en vroeg naar de kosten. Die waren €45 en ik keek Kees, die vrolijk op de bank lag te spinnen met een strenge blik aan, meewarrig sloot hij zijn ogen op de trage manier zoals katten dat doen.

Ik had Kees na zijn thuiskomst binnen willen houden, buiten was het nog steeds koud en hij moest weer even aan het huis wennen. Het kattenluikje had ik op slot gedraaid, er een stuk karton voor geplakt en er een doos met boeken voorgezet. Het hielp niks. Kees wilde weer naar buiten en toen ik twee dagen later thuiskwam, was de doos iets verschoven, hing het karton nog aan een klein stukje ductape en was het kattenluikje geforceerd: Kees was uitgebroken.

Hij bleef weer een nacht weg en omdat het koud was, ging ik weer laat op de avond naar buiten om hem te gaan zoeken. Ik had deze keer een groter zoekgebied, omdat ik wist dat hij dus blijkbaar ook gewoon kon verdwalen. Ik moet een uur gelopen hebben zonder resultaat. Rammelend met mijn sleutelbos (daar reageren mijn beide katten op) en het lokroepje doen. Ik had alle straten aan deze kant van de wijk en aan de andere kant van de wijk gehad en gaf het op.

Ik liep terug naar huis en toen ik mijn straat inliep zag ik hem al zitten: mauwend op de vensterbank voor het raam om te kijken wanneer ik open zou doen. Kees is een klotekat, maar wel mijn klotekat…

.

Dit is het tweede deel in een drieluik over Kees en de problemen die hij veroorzaakt. In het volgende deel een levensgrote brandweerauto die voor Kees uitrukt in de vroege ochtend.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: