De grens (de makkelijke weg)

Met twee vrienden ging ik met de bus naar Hongarije op vakantie. Het was in de tijd dat er nog aan grenscontroles gedaan werd en met name die op de grens van Oostenrijk en Hongarije was gevreesd. Niet door ons, want we hadden verder niks bij ons, verse reispapieren en dus zouden wij Hongarije ingelaten worden. In het holst van de nacht kwam de bus aan bij de grens en Oostenrijk uitkomen was geen probleem, de chauffeur liet papieren zien en we mochten door.

Aan de Hongaarse kant was de controle strenger. Er kwam een douanier de bus binnen met in zijn zij een Uzi en op zijn buik een houten kistje met zegels en een stempel. Routinematig nam hij de paspoorten aan en bekeek de foto’s, om vervolgens op een willekeurige pagina een toegangsstempel te zetten.

Het harde geluid van de stempel kwam steeds dichterbij. Uiteindelijk waren wij aan de beurt. Mijn Nederlandse vriend en ik gaven onze paspoorten en kregen het stempel van goedkeuring. Mijn Belgische vriend gaf zijn reisdocument en de norse douanier bekeek het aandachtig.

“Nem jo!”; was zijn oordeel, het zouden de eerste woorden Hongaars zijn die ik leerde. ‘Jo’ betekent zoiets als goed, of akkoord en ‘nem’ betekent iets ontkennends. De combinatie betekende in ieder geval slecht nieuws. De Belg kon op deze papieren Hongarije niet in.

De chauffeurs van Eurolines deden echt hun best, er was een Belgisch bandje aan boord dat op uitnodiging van de Hongaarse regering kwam en er werd geprobeerd om de douanier er van te overtuigen dat de Belg daar bij hoorde en dus wel door moest.

De mosgroene pet was onverbiddelijk; “Nem jo!” Na wat onderhandelen en overleggen in iets van vier talen, bleef het oordeel dat de Belg er niet in kwam en de bus moest onderhand wel verder om nog een beetje op tijd in Boedapest aan te komen. De bagage van de Belg werd uitgeladen en ook wij haalden onze tassen uit de bus.

De chauffeurs wenste ons veel sterkte en vertrouwden ons toe dat het goed zou komen, al zouden wij bij God niet weten hoe. Daar stonden we, net volwassen in de diepe Hongaarse nacht met een stel norse ambtenaren die onze talen niet spraken. De bus reed weg en we zagen de achterlichten in de zonsopgang verdwijnen.

“You can go!”; zei een vriendelijke stem achter ons. Het was een van de douaniers die ons eerder nors had aangesproken. In zijn hand had hij een roze briefje met daarop de gegevens van de Belgische vriend en het stempel dat wij ook hadden. Hij legde uit in gebroken Engels dat we binnen twee dagen ons bij de ambassade moesten melden en vroeg of we nog een taxi nodig hadden.

Stomverbaasd sloegen wij het aanbod af en bonden onze rugzakken op, die waren niet gemaakt op een eind wandelen, dus het zou een zware tocht worden naar het station. Eigenlijk nog brak van de busreis liepen we de goede kant op.

We passeerden een bord: ‘Welcome in Hungary!’

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: