Risdam-Noord (4)

Onderweg naar Arnhem rij ik langs Maarn, er was een tijd dat ik dit dorp als eindbestemming had. Ik had in Hoorn een buurtvriendje en die verhuisde naar Amerhingen. Het station dat het makkelijkst per trein te bereiken was, was dus Maarn. Zo eens in de maand pakte ik de trein naar Maarn om mijn verhuisde vriendje op te zoeken.

Toen ze nog drie huizen verderop woonden, was het geen probleem om elkaar te zien, maar nu er honderd kilometer tussen zaten, was het anders. Als negenjarig jochie pakte ik op zaterdagochtend de trein naar Amsterdam en dan die naar Utrecht. Daar moet ik op dat grote station overstappen op de stoptrein naar Rhenen, spoor 4.

In Maarn uitstappen en daar stond dan de vader van het gezin op mij te wachten met de auto en dan reden we naar Amerhongen. Ze vonden het maar wat raar dat ik dat hele eind zelfstandig aflegde met de trein, maar mijn ouders vonden het goed omdat ik goed in topografie was op school en ervaring met de trein had.

Het was daar de eerste keer dat ik kennis maakte met bidden voor het eten. Toen ze bij ons in de straat woonden at ik daar nooit, dus ik wist niet wat bidden voor het eten was. Ja, ik wist dat het gebeurde, maar ik had het nog nooit meegemaakt. Tot de eerste keer dat ik daar bleef eten en logeren dus.

We gingen aan tafel en ik zat zoals ik thuis deed al in de starthouding om de maaltijd weg te werken. De vader van het gezin zette zijn ellebogen op tafel en vouwde zijn handen voor zijn mond. Ik begreep dat ik mijn eten nig maar even niet moest aanraken, want als je bij anderen bent, dan begin je niet als eerste, zo had ik geleerd.

Hij zat daar zo boven zijn bord met zijn handen voor zijn mond en begin; “Heer zegene deze spijzen…”; of zoiets. Ik heb nooit het genoegen gehad om meer te onthouden dan de versie van Finkers (“Lieve Heer, ik hou het kort, anders is het eten van mijn bord”).

Mijn buurtvriendje keek mij na het gezamenlijke ‘Amen’ op zijn beurt weer vreemd aan. Ik had mijn handen wel gevouwen, maar op tafel gelegd. “Waarom bid jij niet?”; vroeg hij verwonderd. Ik antwoordde dat wij daar thuis niet aan deden en dat vond hij maar raar.

Zijn ouders vonden het tijd voor een lesje levensbeschouwing en legden rustig uit dat niet iedereen geloofde en dus ook niet iedereen dankte voor het eten. Het was een openbaring voor het vriendje, dat ik toch al zowat mijn hele leven kende, althans wat ik mij herinnerde. Nee, wij deden daar niet aan en dat wisten zijn ouders maar al te goed.

Mijn ouders stonden in de buurt bekend als erg links en daar hoorde bidden in ons geval niet bij. Wij deden ook niet aan Sinterklaas en op 1 mei hing bij ons de rode vlag buiten. Dat ik met hun kind mocht omgaan was dan eigenlijk ook een wonder. Ik heb toen ik twaalf was de moeder er eens naar gevraagd.

De reden was dat ze het helemaal niet fijn hadden gevonden dat hun kinderen met ons omgingen, maar dat wij ons wel bleken te kunnen gedragen. Vooral die ene keer met dat bidden was ook hen bijgebleven. Zoveel respect voor andere overtuigingen, terwijl wij toch erg streng overtuigd waren van ons rode gelijk.

Dat deden mijn ouders, ons om laten gaan met andersdenkenden, het is een vaardigheid die ik nu nog hoop te hebben. Zeldzaam overigens, maar ik had hem als negenjarige al. Ik heb het nooit begrepen, dat bidden voor het eten, maar ik heb me altijd stil gehouden tijdens het bidden. Dat kan ook namelijk.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: